woensdag 18 januari 2012

Ik draaf door



Het versroman.

Ik heb nu al zes tweeps die blijk hebben gegeven van een goede smaak. Ze 'hebben wel wat' met het genre 'versroman'. 
Ze delen mijn voorliefde voor de korte, liedtekstachtige stukjes die samen een verhaal vertellen. Een verhaal dat je zelf tussen de associatieve taaluitingen door mag lezen. Korte zinnen. Eenvoudige zinnen. 

Ik ga de liefhebbers van het versroman verzamelen. Misschien wel samenbrengen om te discussiëren over de schoonheid van het genre. Of om ze een workshop aan te bieden over het maken van een versroman. Ik laat ze tussen mijn regels doorlezen, neem ze mee in mijn hoofd, voer ze gedachtekronkels. Ik laat ze kennis maken met het werk van mede versromanschrijvers. Ik laat ze door woorden gevonden worden zonder dat ze hoeven zoeken, laat ze schijnbaar simpele zinnen verknippen en weer aan elkaar plakken. Ik laat ze zelf experimenteren met woorden die...

Oh, wacht even. Ik draaf door (een fout die schrijvers wel vaker maken).

Even pas op de plaats.

Zes tweeps. Zes liefhebbers. Ik probeer eerst meer potentiële liefhebbers te bereiken.
Mocht onderstaande 'vers' (en/of de 'verzen' die ik bij de vorige vier blogs over dit onderwerp schreef) je aanspreken, meld je dan aan als liefhebber (door #versromanvolger toe te voegen aan je tweet aan mij).
Mocht je bij de 'verzen' geen gevoel hebben maar ken je iemand waarvan je denkt dat hij/zij het wel heeft... stuur dan een link naar dit blog door. (alstjeblieft).

Tot slot nog een vers.

Jelte  


‘Maar hoe weet ik
of jouw verhaal klopt?’
‘Dat weet je niet,
nooit.
Daar zul je zelf
achter moeten komen.
Dat is nu leven.
Altijd op zoek
en misschien
nooit vinden.
Dat is ouder worden.
Waarheden zoeken
in het stof
aan de kant
van de weg
maar nooit weten
of het halve leugens
zwarte waarheden
of mooie verhalen zijn
die je te horen krijgt.’

©Jelte van der Kooi


zondag 15 januari 2012

70.000 lezers voor mijn versroman




Mijn versnovels / versromans worden een leeshit.
Tenminste, als ik afga op ‘het getal’.
Ga maar na.
Ik heb 466 volgers in mijn tijdlijn. Ik rond het even af op 500.
Van (tot nu toe) 5 van die tijdlijners heb ik positieve reacties gehad op ‘het genre verseroman’.
Vier van die 5 vinden de ‘verzen’ die ik in mijn blogs zet fijn om te lezen (‘nachtgedachten’; ‘het inspireert me meteen’)

Hoeveel lezers zijn er in Nederland die geregeld iets lezen?
7 miljoen?

5 van de 500 vertalen naar 7 miljoen: 70.000 lezers die het genre ‘verseroman’ willen lezen.

70.000!
Wat een enorm aantal. (ik kan er natuurlijk een of twee naast zitten) ;-)
Wat ik nu moet doen is die 70.000 bereiken.
Hoe moeilijk kan dat zijn?

Ik ga er voor.
En mocht je tips hebben (ook al behoor je niet tot de potentiële liefhebber van het genre) dan lees ik ze graag.

Alvast bedankt.

Jelte.

Oh ja, nog even een voorproefje. Een pagina uit mijn laatste versroman.

Je mag in mijn hoofd kijken.
Het waait er onafgebroken.
Geluidloos maar krachtig.
Lees, terwijl je kijkt,
de woorden
die je zelf met je vingers schreef
op de wanden die er niet zijn.
Je mag ze lezen zoals ze er staan.
Je mag er een betekenis aan geven
een verbinding met jouw werkelijkheid.
Weet ook dat het een waarheid is
die je er zelf uit haalt.
Daar hoef ik niets voor te doen.
Ik vertrouw het je toe
om een waarheid te vinden
die dicht bij
mijn woorden -
mijn werkelijkheid ligt.
De wind danst stormachtig
en ik sta stil.
Om me heen
beweegt een wereld
omdat de aarde draait.
De wind danst in cirkels.
Ik probeer mijn hand
door een cirkel te steken
en verbreek daarmee
mijn stil zijn.
De wind danst niet meer.
Ik heb de dans overgenomen
doordat ik mijn hand uit stak
en een cirkel heb doorbroken
zoals ik verwacht dat jij
het waaien in mijn hoofd
laat stoppen
als je binnen mijn cirkel
in het oog van mijn storm komt.
 © Jelte van der Kooi

Eerdere blogs over dit onderwerp:
http://leesrijk.blogspot.com/2012/01/verse-novel-onleesbaar.html



vrijdag 13 januari 2012

Verse novel wordt trending topic


Verse novel
of
Hoe een genre trending topic gaat worden.

Verse novel dus.
Zo wordt het genoemd.
Niet door mij. Of toch wel. Bij gebrek aan een goed Nederlands woord.

Tot vandaag. Ik vond een recensie van Bas Maliepaard (24 maart 2007, Trouw) over de verse novel ‘Aan de rivier’ van Stephen Herrick, waarin hij (Bas Maliepaard) op een perfecte manier onder woorden brengt wat, in mijn ogen, een verse novel is.

De woorden van Bas Maliepaard
http://www.basmaliepaard.nl/publicaties/trouw-recensie/aan-de-rivier :
‘Je zou 'Aan de rivier' een moderne versroman voor jongeren kunnen noemen of gewoon een jeugdboek opgebouwd uit gedichten. De Australische auteur Steven Herrick is pionier op het gebied van de 'verse novel' voor pubers. In dat genre wordt de vertelkracht van een lang (coming-of-age) verhaal gecombineerd met de beeldrijke taal en het compacte, scenische karakter van poëzie.


Het resultaat is bijzonder, maar zal vooral geoefende lezers bekoren, want de fragmentarische vorm maakt het moeilijk om je door het verhaal te laten meeslepen. Om het in een wat curieus beeld te vatten: 'Aan de rivier' leest als een fotoalbum. De verzen zijn grotendeels losstaande momentopnamen: korte, afgeronde scènes, die door het poëtische taalgebruik en de minutieuze sfeerbeschrijvingen direct kleurrijke beelden oproepen. Net als in een fotoalbum moet de lezer naar aanleiding van die losse beelden zélf een doorlopend verhaal construeren.’

Tot zover de woorden van Bas.

Woorden die blijven hangen:
‘Versroman’
‘Een fotoalbum’
‘kleurrijke beelden’

Die woorden zocht ik.
Zo wil ik schrijven. Dat is waar ik denk dat lezers op zitten te wachten.

En ik heb de jury van de gouden griffel van 2011 achter me staan. Zij gaf de gouden griffel aan Simon van der Geest, voor zijn versboek/ versroman ‘Dissus’

Op de site van zijn uitgever
http://www.queridokinderenjeugdboeken.nl/web/Boek/9789045110820_Dissus.htm
staat het volgende fragment:

Wacht maar 

In mijn kop 
groeit een plan 
broeit een plan 
mijn wraak is zoet 
en zwart als drop

De afgelopen jaren schreef ik een drietal versromans.
Het wordt tijd om ze aan de wereld te geven omdat ik hoop dat er meer schrijvers/lezers zich gaan verdiepen in het schrijven/ lezen van deze fantastische manier van spelen met woorden. En dat deze schrijvers/ lezers (m/v) zich gaan bekwamen in het schrijven van versromans.

Wie pakt de handschoen op, wie durft?



Tot slot een pagina uit mijn laatste versroman:

Het onweer echoot na
in mijn hoofd.
De echo wil niets zeggen.
Daarom zie ik niets meer
dan alleen bliksemflitsen.
Ze brengen geuren
die door elkaar lopen.
Geen pannenkoeken deze keer.
Het is een geur
die ik gisteren ook rook
en eergisteren.
Hier, bij het water
van mijn sloot.
Maar waar geuren herinneringen brengen
geven deze geuren me alleen
herinneringen aan de dagen
die net zijn verlopen.
Ik wil mijn voorhoofd fronsen
zoals papa dat altijd doet
om mezelf te laten zien
dat ik de geur niet thuis kan brengen.
Het onweer echoot na.
Ik kan niet denken
aan wat ik wil weten.
Zo weet ik niet
waar ik aan wil denken.
Ik raak de geur
met het puntje van mijn tong.
Daar blijft het liggen
zonder dat het me vertelt
wat ik wil benoemen.
Herinneringen komen boven
aan de dagen
die vervlogen zijn,
weggewaaid
met het ginnegappen
op de vleugelslagen
van de ganzen.

Mijn eerdere blogs over dit onderwerp:

http://leesrijk.blogspot.com/2012/01/verse-novel-onleesbaar.html

http://leesrijk.blogspot.com/2012/01/eigenwijze-schrijfnerd-is-er-klaar-mee.html




dinsdag 10 januari 2012

Eigenwijze schrijfnerd is er klaar mee/ voor.


Eigenwijze schrijfnerd is er klaar mee/voor.

Ronald Giphart besteedde er vanmorgen, in de Volkskrant, nog maar eens wat woorden aan.
‘Schrijver’ heet de column. Zeer lezenswaardig, vooral voor een nerd zoals ik.
Schrijfnerd, wel te verstaan:  'Zij die schrijven in de bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat hun schrijfsels niet veel verder komen dan een handjevol bekenden…' 
Meneer Giphart bracht naar voren hoe moeilijk het is om je boek uitgegeven te krijgen.
Dus…
Zit ik hier met mijn goede verstand.
Net een verse novel geschreven. Een boek in de vorm van een poëtisch verhaal. Of een poëtisch verhaal. Of een verhaal met ultra korte zinnen. Een literaarheidje, zogezegd, niet passend in een bestaand, lees ‘door het grote publiek aanvaard genre.’

En toch:
‘Waar je als lezer bij een gewoon verhaal nog wel eens aan de oppervlakte kunt blijven zit je hier iemand meteen onder z'n huid. (aldus de geweldige reactie van Iris Boter op een bladzijde uit mijn verse novel, te lezen bij mijn vorige blog http://leesrijk.blogspot.com/2012/01/verse-novel-onleesbaar.html )

Meelezers vinden het wel wat hebben, deze (mijn) vorm van schrijven. Ze zijn verrast door de directheid, het uitgeklede verhaal, de intense manier om meegezogen te worden in een verhaal.
Grappig, de reacties. Zeker omdat er bijna geen verse novels worden uitgebracht. Er is ‘geen markt’ voor.
Maar dat was er in het begin ook niet voor paprika, de schilderijen van Rembrandt en discobowlen (om maar wat te noemen).

Geen markt. Met dat in het achterhoofd ga ik vechten tegen de bierkaai.
Dat is wat deze schrijfnerd gaat doen.
U bent getuige van het begin.
Doel: een groot publiek interesseren voor het fenomeen ‘verse novel’.
Specifiek: voor mijn verse novels ;)

U hoort van me.

Jelte

ps. nog een bladzijde uit mijn versenovel:

Ik proef bramensap
op mijn lippen.
Zacht deuken ze in.
Ik wil mijn tong
over mijn lippen laten gaan
maar het lukt niet.
Alsof mijn mond niet open kan.
Toch voelen mijn lippen
de druk van bramensap.
Ik weet het
door de geur
die bij me binnenkomt.
Keef sluit mijn ogen
met zijn zachte handen
Mijn lippen zijn op slot.
Ik wil ruiken en voelen.
Niet proeven.
Ik weet wel hoe het smaakt.
De geur is genoeg
en het zeker weten
dat een paar druppels
de groeven van mijn lippen vullen.
Keef schrijft met zijn vinger
wat woorden op mijn wang.
Ik moet mijn best doen
om te voelen
wat zijn bewegingen willen zeggen.
Zijn handschrift is onduidelijk
of ik ken het nog steeds niet goed genoeg.
Ik hoor hem lachen
weet daardoor niet
waar hij was gebleven.
‘Nog een keer’
wil ik fluisteren
maar hij zet een punt
onder een vraagteken.
Ik weet niet
of ik moet knikken
of mijn hoofd moet schudden
als antwoord op de vraag
waarvan ik niet weet
welke woorden er in opgesloten zitten.


zondag 8 januari 2012

Verse novel. Onleesbaar?


Drie jaar geleden. Harm de Jonge recenseert voor het Dagblad van het Noorden het boek ‘Aan de rivier’ van Stephen Herrick. Het is een 'verse novel' en Harm is lyrisch.
Ik koop het boek en ben verkocht. In poëtische zinnen schetst Stephen een verhaal in weinig woorden waarbij ik geoorloofd tussen de regels door mag lezen.
Dit, deze manier van schrijven, is wat ik wil, dit is wat ik kan. Ik schreef vijfentwintig jaar geleden al op deze manier en dacht dat ik de enige was.
Nee dus, ene Stephen Herrick schreef aan de andere kant van de wereld op dezelfde manier.
Nu, nadat ik drie ‘verse novels’ (vooral voor mezelf) heb geschreven, denk ik nog steeds dat ik de enige ben die in Nederland op deze manier schrijft.
Er is geen markt voor, schreef Harm de Jonge me.
Dat denk ik ook. En toch schrijf ik. Omdat ik eigenwijs ben, omdat de vorm bij me hoort, omdat ik geniet van het proces, de vorm en uiteindelijk ook, de inhoud.
Dat is schrijven. Genieten van de woorden die tijdens het ontstaan inhoud krijgen.
Voor mezelf.
Maar misschien zijn er meer schrijvers/ lezers die houden van de schrijfstijl van Stephen Herrick en daarom nieuwsgierig zijn naar mijn verhaal/ verhalen.
Ik zal actief bekijken in hoeverre het antwoord daarop een ‘ja’ is.
Daar mag je me mee helpen.
1. Door iets van Stephen Herrick te lezen (ik beveel ‘aan de rivier’ aan) en te kijken in hoeverre je wordt geraakt door vorm en inhoud. Laat me weten wat je er van vindt.
2. Door mij te laten weten of je, in februari, mijn laatste verse novel zou willen proeflezen.

Ondertussen schrap, schaaf en schrijf ik verder.

Tot later…

ps. hier onder een bladzijde uit mijn laatste verhaal.

Ik weet het.
Je gaat
uiteindelijk
ook die kamer
in mijn hoofd openen.
Dat weet ik.
Maar wil je er
asjeblieft
nog even mee wachten.
Het liefst tot het moment
dat ik zeker weet
dat ik er klaar voor ben.
Eerst moet je me laten zien
wat er nog meer is.
Ik denk
dat ik veel niet meer weet
of veel nog niet weet
Vergeten
weggestopt
opgeborgen
in die laatste kamer.
Ik weet het.
Jij hebt de sleutels
en de rust
om te kijken
te beschrijven
en te ontrafelen
waar ik een andere rust heb
dan jij
en niet
van een afstand kan kijken
naar mezelf
en wat me bezig houdt.
Dat weet ik.
Open die laatste kamer
als het tijd is
om hem te ontsluiten.
Maar nu nog niet.
Bereid me alsjeblieft rustig voor
op wat ik niet meer weet
of nog niet weet.
Ik weet:
je kunt het.
Daar vertrouw ik op.
Onvoorwaardelijk.
Toch?


dinsdag 27 december 2011

Isra


Ik struin door de woorden die ik dit jaar schreef. Ik sla bladzijden om met een veeg van mijn rechterwijsvinger.
Er komen herinneringen boven die vastliggen in elk woord.

Ik heb opeens herinneringen.
Ze zwerven met me mee
als ik eeltloos wandel
over het pad.
Warm is het zand
zoals de herinnering
die me op mijn schouder tikt.
Ik kijk achterom
terwijl ik weet
dat omkijken alleen laat zien
wat ik al weet.
De herinnering kan ik niet zien.
Alleen voelen
zoals een tik op mijn schouder.

Van de vele woorden die ik dit jaar schreef zijn de volgende me het meest bijgebleven.
Ik schreef ze eind februari, aan het begin van de opstand in Libië.
Mijn achternicht Isra woont er, ontvoerd door haar vader nadat die mijn nicht, de moeder van Isra, had vermoord.
Nu is het eind december. De opstand in Libië is voorbij, er is een nieuwe werkelijkheid.
Maar welke werkelijkheid Isra heeft? Ik heb geen idee. Ik hoop dat me dat in 2012 duidelijk wordt.



februari 2011... Isra, nachtelijke reiziger

Ik wilde mooie woorden schrijven maar ik dacht dat ik ze niet kon vinden. Ik wist tegelijkertijd ook dat ik niet zou moeten zoeken want zoeken leidt zelden tot vinden. 

Maar net, tijdens het leegmaken van mijn hoofd, viel er een woord uit, een meisjesnaam: Isra. 

Als ik de betekenis van de naam zoek en vind, weet ik direct dat ik mijn mooie woorden heb gevonden: nachtelijke reiziger. 

Isra betekent nachtelijke reiziger. Ik krijg beelden door van een meisje dat loom door het leven slentert. Negen is ze en ze lacht naar me met diep donker bruine ogen. Ze kletst mooie woorden. 
Ik hoor het aan de klanken, het ritme en de melodie. Ze zingt haar mooie woorden lachend en ik luister op afstand. Isra´s woorden doen er lang over voor ze me weten te bereiken. 
Dat komt, zo bedenk ik, omdat ik een uur achter haar aan leef. Een uur dat voelt als een lichtjaar. 
Isra roept maar ik kan niet zie naar wie ze roept. Ze lacht maar ik weet niet naar wie ze lacht. Door het uur tijdsverschil zie ik wel haar lach, hoor ik wel haar roepen maar zie en hoor niet hoe er gereageerd wordt. 
Ze weet ook niet dat ik haar zie en hoor. Ze weet niet van mijn bestaan, ik wel van dat van haar. Dat komt omdat ze een nachtelijke reiziger is. Ik zie haar in het licht van de maan die we samen delen. 
Een maan die ze een uur eerder ziet dan ik, een maan waar ze haar meisjes verhalen aan vertelt. Die maan dus, waar ik haar mooie onverstaanbare woorden van af pluk. 

Isra is een nachtelijke reiziger, net als iedereen om haar heen op dit moment. Ze leeft temidden van een volk in pijn. Te midden van een volk dat op reis is, een nachtelijke reis door een hele lange nacht. Een nacht die bijna maanloos is waardoor het donker nog zwarter lijkt. 
Hand in hand schuifelen ze, de reizigers. Daar tussen door gaat een meisje van negen. Ze huppelt langs rokken, drentelt lachend langs marcherende stramme benen, luistert naar harde woorden en zachte stemmen. 
Ze roept zonder dat ik zie naar wie. Ze betovert, laat haar bruine ogen, haar magische glazen knikkers spreken. Ze zingt woorden en verbindt gedachten ademloos met haar innemende aanwezigheid. 

Ze krijgt het voor elkaar om een heel dun schijfje maan tevoorschijn te lachen. De maan lacht om haar lachen, slaat haar melodieuze woorden op en maakt er een lied van: 
het lied van de nachtelijke reiziger. 

Isra heet ze, ze is negen. Ze is één van de nachtelijke reizigers, ze is één met de nachtelijke reizigers die door Libië zweven terwijl ze hun hart vasthouden en datzelfde hart ook laten spreken. 
Isra heet ze. Ze is mijn achternicht die niet weet dat ik haar achterneef ben. Ze woont in Libië, ontvoerd door de man die mijn nicht, haar moeder, om het leven bracht. 
Isra heet ze en ze woont een uur voor me uit. Daarom kan ik haar niet bereiken. maar zij mij wel, doordat ze woorden neerlegt op die hele dunne maan. 

Laat de nachtelijke reizigers die naast Isra lopen ook luisteren naar háár ogen en, wie weet, groeit de dunne maansikkel aan tot een volle heldere maan vol levende verhalen die we glimlachend zullen gaan lezen.

dinsdag 20 december 2011

De vondeling


De vondeling
‘Meester, wat doe je nou?’, vroeg Marieke.
‘Luisteren. Naar jouw vraag.’
‘Maar wat heb je in je handen?’
‘Hmm. Oh, dit. Foto’s’, fluisterde meester.
‘Wat voor foto’s dan, meester?’
‘Geen idee. Ik heb ze vanmorgen gevonden. Ze lagen op de stoep voor de deur van school.’
‘Oh. Buiten dus?’, vroeg Marieke verbaasd.
Meester knikte.
‘Net of ze te vondeling waren gelegd. Toen ik de envelop opende en de bovenste foto’s zag moest ik meteen denken aan dat zielige kerstverhaal dat mijn oma me elk jaar vertelde. Over een meisje dat door de sneeuw sloft. Ze had wel een jas aangetrokken maar die was niet warm genoeg. Ze kreeg koude handen en een druipneus. Zie je haar voor je, dat meisje?’, vroeg meester.
We knikten.
‘Ze wilde boodschappen doen. Omdat haar moeder ziek was en de deur niet uit mocht van de dokter. Haar moeder was in slaap gevallen en het meisje was de deur uitgelopen. Ze wilde snel naar de groenteboer. Ze wilde aan haar ouders laten zien dat ze al een flinke meid was. Dus daar liep ze door de sneeuw maar ze kon de weg niet meer vinden. Dat verhaal dus.’
We knikten. Meester had het verhaal de afgelopen dagen al wel zeven keer verteld. We kenden het van voor naar achteren.
‘Vondelingfoto’s dus, meester?’, vroeg Majorie.
Meester knikte.
‘Vondelingfoto’s. Zo maar achter gelaten. Op de stoep van onze school. Zwart wit foto’s. Het lijkt wel of het kerstfoto’s zijn. Kijk maar, hier.’
Meester Korneel hield een foto omhoog.
‘Een kribbe lijkt het wel’, zei hij er bij. ‘Misschien wel uit een levende kerststal. Een kribbe met een baby, gewikkeld in doeken. Of is het… Nee, dat zal het vast niet zijn.’
Meester fronste zijn wenkbrauwen.
‘Er staat wat op de foto. Het is met potlood geschreven’, mompelde meester. ‘Kerst 1956. Mijn eerste foto.’
Meester Korneel legde de foto neer en pakte een andere.
‘En net op het moment dat het meisje zo vermoeid is dat ze struikelt pakt iemand haar vast’, zei meester. ‘Dat zie ik dan voor me, zie je. Dat verkleumde meisje, die vallende sneeuw. Een witte koude wereld en dan zo’n meisje dat haar weg zoekt naar de groenteboer, om boodschappen te halen voor haar zieke moeder.’
We knikten.
‘Je hebt ons eigenlijk nog nooit verteld hoe het meisje heet’, zei Marieke.
Meester dacht na.
‘Lorna. Volgens mij heette ze Lorna.’
‘Maar wat staat er op die volgende foto dan?’, vroeg Marieke.
‘Een kerstboom. Met een meisje er bij. Ze kijkt naar boven.’
‘Vreemd toch, meester, die foto’s.’
‘Hmmm. Kun je wel zeggen. Kijk. Hier nog één. Kerstfeest 1959 staat er achter op. Hetzelfde meisje weer. Nu is ze een jaar of 3. Hé, het lijkt wel of ze dat dekentje van die eerste foto in haar hand heeft.’
‘Wie pakte Lorna ook al weer vast toen ze struikelde, meester?’, vroeg Gjalt.
‘Haar vader natuurlijk’, antwoordde Charlie. ‘Die kwam toevallig langs op de plek waar Lorna liep.’
‘En wat zei die vader ook al weer?’, vroeg Gjalt.
 ‘Heb ik je al weer gevonden. Dat zei de vader. Samen hebben ze toen boodschappen gedaan. Wist je dat niet meer?’, vroeg Charlie.
Gjalt schudde zijn hoofd.
‘Ik ben weer wat erg verstrooid de laatste tijd’, zuchtte hij.
‘En hier is datzelfde meisje een jaar of negen’, zei meester. ‘Weer kerst, zo te zien.’
Hij liet de foto kort zien. te kort om te zien wat er precies op stond.
Meester Korneel bestudeerde de achterkant.
‘Mama ziek. 1965.’
‘Meester, heb je al een idee van wie die foto’s zijn?’, vroeg Henke.
Meester Korneel schudde zijn hoofd.
‘Dat is wel vaker zo met vondelingen’, zei hij. ‘Die worden ergens neergelegd. Maar niemand weet waarom. Mijn oma, moet je weten, vertelde wel meer verhalen. Zo vertelde ze ook elk jaar het verhaal van het meisje dat lang geleden in ons dorp te vondeling is gelegd. Het was op de avond voor kerst. Ze hebben nooit kunnen achterhalen wie haar moeder was. En dus ook niet waarom de moeder de baby achter heeft gelaten.’
‘Waar was dat dan, meester?’, vroeg ik.
Meester keek me wazig aan.
‘Hier’, mompelde hij.
‘Hier?’
‘Ja. Hier. Voor de deur van onze krakkemikkige oude school is dat meisje te vondeling gelegd. De vader van directeur Zwarfdreumer was hier toen directeur. Hij heeft het meisje gevonden. Ze lag in een houten kistje. Met een deken om zich heen gewikkeld.’
Meester staarde naar een volgende foto. Daarna keek hij weer naar de foto’s die hij al had bekeken.
‘Nee toch. Nee, dat kan niet. Dat zal toch niet waar zijn’, mompelde hij.
‘Hoe heette dát meisje dan, meester?’, vroeg Marieke.
‘Lorna’, zei meester.
‘Nee’, zei Marieke. Ze zuchtte. ‘Ik bedoel niet het meisje dat boodschappen ging doen en verdwaalde in de sneeuw. Ik bedoel dat meisje dat te vondeling werd gelegd.’
Meester keek naar Marieke. Daarna knikte hij.
‘Lorna’, zei hij nog een keer. Vervolgens ging hij rechtop zitten en hield de foto’s omhoog.
De vondeling werd Lorna genoemd. Ze heeft dezelfde naam als het meisje uit het verhaal van mijn oma.’
Meester liet even een stilte vallen.
‘En eeeh… het meisje uit het verhaal en de vondeling zijn één en hetzelfde meisje. En ze heet Lorna.’
Weer was het even stil.
‘En ik zal het nog gekker vertellen. Deze foto’s…’
Meester liet het stapeltje foto’s zien.
‘Deze foto’s zijn van het meisje uit het verhaal. Ze zijn van de vondeling. En ze lagen hier op de stoep. Waarschijnlijk op precies dezelfde plek als waar Lorna 55 jaar geleden achter is gelaten.’
We keken verbaasd naar meester. Hij keek verbaasd terug.
‘Maar wie heeft ze dan achter gelaten?’, vroeg Marieke.
Op dat moment ging de deur voorzichtig open.
‘Mevrouw Krankheimer’, zei meester Korneel zacht.
Mevrouw Krankheimer, de school schoonmaakster, liep ons lokaal in. We zeiden niets. We konden zien dat ze net had gehuild.
‘Ze zijn van jou hè, deze foto’s’, zei meester Korneel. ‘Nooit geweten dat je Lorna heet.’
Mevrouw Krankheimer veegde een paar tranen weg. Ze knikte.
‘Dat ben ik op die foto’s. Lorna Krankheimer. Wat ben ik blij zeg, dat je mijn foto’s hebt gevonden. Waar lagen ze?’
Mevrouw Krankheimer ging op een stoel zitten.
‘Op de stoep, voor de deur. Buiten. Je had ze daar te vondeling gelegd. Zoals je daar zelf ook te vondeling bent gelegd.’
Mevrouw Krankheimer pakte een zakdoek. Ze veegde er wat tranen mee van haar wangen en snoot toen haar neus.
‘Och, heb ik ze daar laten liggen. Ik was bang dat ik ze nooit meer zou zien. Ik had ze vanmorgen mee naar school genomen om ze aan directeur Zwarfdreumer te laten zien. Maar ik was als eerste op school. Ik heb de envelop met mijn foto’s waarschijnlijk op de grond gelegd toen ik de sleutel moest pakken. Och Korneel. Wat ben ik blij dat ik ze weer heb. Ik had geen idee. Ik ben naar huis gegaan en heb daar gezocht. Ik heb de hele school doorzocht. Nooit gedacht dat juist jij ze zou hebben. Och Korneel. Geweldig.’
Mevrouw Lorna Krankheimer stond op. Ze liep naar meester Korneel. Die deed de foto’s terug in de envelop.
‘Dank je wel’, zei ze. Daarna deed ze iets wat we nooit hadden verwacht.
Ze gaf onze meester klinkende zoenen op zijn beide wangen. Daarna liep ze ons lokaal uit.
‘Dank je’, zei ze nog een keer.
‘Tsjonge jonge’, zei Marieke.
‘Zeg dat wel’, zei meester. ‘Tsjonge jonge. Wat een verhaal zeg.’