woensdag 29 augustus 2012

de drakenproef


De drakenproef

‘Ik moet weg, pap. De draak wil dat ik direct kom.’
‘Draak? bedoel je je moeder?’, vraagt Gert.
Tijn kijkt met een scheef hoofd naar zijn vader. Die grijnst.
‘Nee, ik bedoel de draak die bij de ruïne woont. Je weet wel, die met de drie koppen. Ik denk dat hij weer een drakenproef moet doen.’
Nu is het Gerts beurt om Tijn met een scheef hoofd aan te kijken.
‘Ga jij maar weer naar je draak, Tijn. Doe hem de groeten van me.’
’Dat zal ik doen’, zegt Tijn.
Tijn gooit de achterdeur dicht als hij het huis uit rent.
’Tijn, alle kanonnen, smijt niet zo, zeg. Je lijkt wel een…’
Waar hij op lijkt hoort Tijn niet meer.
’Oeps. Dat was een beetje te hard, zoals gewoonlijk’, zegt Tijn.
Na een paar minuten komt Tijn aan op het veld achter de ruïne.
Daar staat zijn draak ongeduldig op hem te wachten.
‘Heb je de achterdeur weer dichtgegooid?’, vraagt drakenkop Gul.
‘En mocht je van Gert echt hier naar toe?’, mompelt drakenkop Lug.
‘En je hebt Gert zeker weer van ons vertelt zonder dat hij gelooft dat we bestaan?’, zegt drakenkop Ulg.
‘Ja, ja en ja’, zegt Tijn. Hij lacht er bij.
‘Mijn vader vraagt nooit verder. Hij denkt volgens mij dat ik fantaseer. Dat jullie niet echt zijn.’
‘Moet niet gekker worden’, zegt Gul. ‘Ik ben er toch. Ik ben echt.’
‘Dat weten we wel’, zeggen Lug en Ulg tegelijkertijd. 
‘Doe maar rustig, Gul. We moeten een drakenproef afleggen. En dat kunnen we niet zelf’, zegt Lug.
Gul mompelt onverstaanbare woorden. Dan spuugt hij  vuur de lucht in. Hij hoest van de rook die in zijn neusgaten komt. Dan kijkt hij naar Tijn.
‘We moeten iets doen wat we nog nooit hebben gedaan’, zegt hij.
‘Dus kunnen we het niet’, zucht Ulg.
‘We hebben jouw hulp nodig’, zegt Lug.
Tijn laat zich in het gras vallen.
‘Vertel maar’, zegt hij.

De drie drakenkoppen kijken elkaar aan.
‘We moeten vuur spugen’, zegt Ulg.
‘We moeten die paal raken’, vult Lug aan.
‘En we moeten met z’n drieën één spuw maken’, zegt Gul.
‘Is dat alles?’, vraagt Tijn.
Gul, Ulg en Lug kijken elkaar aan.
‘Jij hebt makkelijk praten’, zegt Gul.
‘Het is ons nog nooit gelukt’, zegt Ulg.
Lug zucht alleen maar.
‘Hebben jullie het dan wel eens geprobeerd?’, vraagt Tijn.
De drie draken schudden hun koppen.
‘Nee’, roepen ze tegelijk.
‘Laat maar eens zien dan wat jullie wel kunnen’, zegt Tijn.
Hij gaat staan.
‘Ik tel tot drie. Dan spugen jullie.’
De draken knikken.
´Eén, twee.´
De drie koppen kijken Tijn aan.
´Toe dan´, zegt Tijn.
´Hoezo dan. Je hebt nog geen drie gezegd’, zegt Gul.
‘Nee, natuurlijk niet. Ik zei toch dat ik tót drie zou tellen.’
De drakenkoppen kijken elkaar aan.
‘Nog een keer tellen’, zegt Ulg.
Nadat Tijn tot drie heeft geteld spugen de koppen vuur.
‘STOP’, schreeuwt Tijn.
Gul, Ulg en Lug schrikken. Ze stoppen. Een laatste restje rook verdwijnt uit hun neusgaten.
‘Kijk nou eens. Sakkerloot zeg, dit wordt lastig.’
De koppen hebben alledrie een andere kant op gespuugd. Ulg naar voren. Daarbij heeft hij een strook  gras verschroeid.
Gul naar links. Hij heeft een merel met vuur uit de lucht gespuugd. De vogel hipt van zijn ene been op het andere en schudt zijn kop. Dan fladdert hij op en vliegt verder.
Lug spuugde naar rechts. Een paar stenen van de ruïne zijn zwart geblakerd.
‘Zie je’, zegt Ulg. ‘We kunnen het niet.’
‘Jullie moeten het wel samen doen’, zegt Tijn.
‘Samen?’, vraagt Lug.
‘We doen altijd al alles samen. Moeten we ook nog samen spugen?’, moppert Ulg.
‘Het moet niet gekker worden.’, zegt Gul.
‘Als jullie voor de proef willen slagen dan moet het gewoon.’
De drie koppen kijken elkaar aan.
‘Nou, kom op. Kop op.’

Tijn loopt naar de ruïne. Hij plukt klimop. Daar vlecht hij een touw van. Dan gaat hij naar zijn draak.
‘Die dikke nekken van jullie moeten tegen elkaar aan. Dan knoop ik ze met deze klimop vast.’
Gehoorzaam bewegen Gul en Lug hun hals naar de hals van Ulg.
‘Neusgaten op de grond’, zegt Tijn.
De koppen gehoorzamen. Tijn maakt de nekken vast met klimop.
‘Doe je het wel voorzichtig?’, vraagt Ulg.
‘Doe je niet te strak?’, vraagt Lug.
‘En zo dat je het makkelijk weer los kunt maken?’, vraagt Gul.
Tijn reageert niet. Hij knikt alleen.
’Klaar’, zegt hij. ‘Neusgaten weer omhoog en als ik tot drie tel dan spugen jullie.’
‘Jullie nekken kriebelen’, zegt Ulg tegen de andere twee.
‘Het voelt gek. Het kriebelt.’, zegt Lug. ‘Voelt mijn nek ook zo raar?’
‘Ik vind dat het jeukt en kriebelt , zegt Gul.
‘Jullie zeuren’, zegt Tijn. ‘Vooruit. Eén, twee…’
De drie bekken gaan tegelijk open. Ze spugen vuur, dit keer alledrie naar voren. Vol verbazing kijken ze wat ze hebben gedaan.
‘Zien jullie wel dat het lukt’, zegt Tijn.
En jawel hoor. De paal die ze moesten raken is zwart verbrand.
‘Nu nog een keer’, zegt Tijn.
Hij laat de draken weer de neusgaten op de grond leggen. Dan maakt hij de klimop los en gebaart dat de koppen weer tegen elkaar moeten.
Net op het moment dat Tijn tot drie wil tellen ziet hij vanuit zijn ooghoeken iemand aankomen.


‘Lukt het’, klinkt de stem van Gert.
‘Wat moet er lukken?’, vraagt Tijn.
‘Nou, je ging toch naar je draak. Heb je hem al gevonden?’
Tijns mond zakt open van verbazing. Gert staat pal naast de draak maar doet net of hij hem niet ziet. Of Gert ziet hem echt niet.
‘Nee, hij was er niet’, zegt Tijn.
De drakenkoppen gniffelen. Ze blazen samen wat vuur de lucht in, vlak over het hoofd van Gert.
‘Warm hier zeg’, mompelt Gert. ‘Kom je straks naar huis? We gaan eten?’
Dan loopt Gert door zonder op antwoord te wachten.
Tijn lacht. Zijn drakenkoppen lachen mee.
‘Jullie hebben net samen vuur gemaakt. Zonder dat jullie het door hadden hebben jullie het over Gert gespuugd’, zegt Tijn.
‘Verguld nog aan toe, je hebt gelijk’, zegt Gul.
‘We zullen slagen voor de drakenproef’, zegt Ulg.
‘Laten we hem meteen maar doen’, zegt Lug.
De draak gaat staan. Ulg, Lug en Gul steken hun koppen bij elkaar.
‘Tel maar tot drie’, zegt Ulg.
Tijn telt tot en met twee waarna de drie koppen samen hun vuur spugen.
Ze raken de paal met gemak.
Terwijl ze nog wat naroken horen ze opeens een stem. Die komt bij de ruïne vandaan. De stem klinkt hol, alsof iemand door een buis praat.
’Dat hebben jullie goed gedaan, drakenkoppen. Jullie zijn geslaagd voor deze drakenproef. Zo zien jullie maar dat het lukt, áls je maar samenwerkt.’

Tijn steekt zijn hand op naar de drakenkoppen.
‘Slik hem aan’, zegt hij.
De drakenkoppen slikken elk met hun tong over Tijns handpalm.
´Dat hebben jullie goed gedaan´, zegt Tijn.
´Jij hebt het goed gedaan, Tijn´, zegt Ulg.
´Ja, jij hebt ons geholpen´, zegt Lug.
´Zonder jou was het niet gelukt´, zegt Gul.
Tijn glimlacht.
´Dan ga ik nu naar huis om te eten.´
De drakenkoppen knikken. Dan vliegt de draak geruisloos weg.
Tijn grinnikt. Hij huppelt naar huis. Ondertussen denkt hij na want het is net of hij de stem die hij net bij de ruïne hoorde kent.

Jelte van der Kooi 2012






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen