zaterdag 17 november 2012

1051 woorden


Ik kijk naar de boom die net de schuur heeft vernield.
De littekens op de plekken waar takken hebben gezeten grijnzen. Ze kijken vol minachting op me neer omdat ze me terecht verantwoordelijk houden. De schuur is gespleten. De ziel die er in huisde is weggevlogen. De bijl komt tot rust in mijn natrillende handen. Het roestige staal wil me wat zeggen maar ik versta het niet. Misschien is het gelukkig omdat het nog een maal is gebruikt waar het dat niet meer had verwacht. Misschien kan hij nu sterven, de bijl, of denk ik dat van me zelf. De schuur kreunt. Wanneer ik tussen de spleetjes van mijn telkens dichtvallende oogleden kijk zie ik scherven glas in de sponning zitten. Ik weet wat er achter te vinden is in de ruimte die tot voor een uur geleden een ruimte was maar nu een onderdeel van de hemel is. Ik zou vuur moeten maken en de schuur er in laten verdwijnen maar mijn lijf heeft de kracht niet om een lucifer af te strijken.
Ik wil slapen zonder dromen. Maar meer nog dan dat is er nog dat andere. Ik wil mijn lichaam terug. Ik wil het gevoel terugkrijgen dat ik meer ben dan dit vermaledijde lijf, dit benige lijk dat niet de moed heeft om dood te gaan omdat de dood te makkelijk is en een overwinning zou zijn voor Ben. Of God. Of Hitler.
De planken van de schuur zuchten en vallen me bij voordat ze onder het gewicht van de boom de Bens beeldjes van hun zorgvuldig gekozen plek stoten.
De grillige littekens raken de beelden die Ben maakte uit de takken van de bomen. Zo zijn ze weer bij elkaar. Deze cirkel is rond waar die van mij gebroken is. Ik moet mijn lichaam terug omdat nooit iemand dichtbij me zag en voelde dat mijn lichaam meer is dan een lijf. Niemand behalve Rachel of Lea, of misschien Anne.

                                                                              *
De lucht om me voelt er normaal gesproken niets van wanneer ik juich. En als ik al juich dan zie je niet meer dan dat ik mijn verschrompelde blauwgeaderde handen tot vuisten balen mijn mondhoeken licht omhoog beweeg. Het is nu zesendertig dagen geleden dat ik Ben vond. Toen heb ik mijn handen op een manier omhoog gegooid die past bij de algemeen geldende opvattingen omtrent juichen. Ik heb de lucht uit mijn longen geperst waarbij ik het idee had dat de lucht een dieprode kleur had. Ik was licht in mijn hoofd doordat een langvergeten hormoon mijn hersenen raakte. Het rood uit mijn longen vond buiten het huis een weg. Ik heb met mijn juichende handen de zonnestralen die ik kon pakken vastgegrepen. In ruil daarvoor heb ik de wolken die overdreven verder geblazen met elke rode schreeuw. Ik stond buiten terwijl Ben binnen lag in het huis dat zich nu maar even over hem mocht ontfermen. Ik had andere dingen te doen. Maar het eerste dat ik deed was schreeuwen, net zo lang tot ik geen zonnestralen meer vast kon pakken en de blauwe lucht die ik in mijn longen wilde binnenlaten zwart was. De wolken dreven verder en namen mijn stem mee. Ik heb niet weer gesproken dan het moment dat zijn as was afgekoeld.

                                                                              *

Het is natuurlijk onmogelijk om een stem uit te tekenen. Toch heb ik de tijd voor de verassing van Ben gebruikt om een poging te doen zijn stem te tekenen. Er kwam niets bruikbaars uit mijn vingers. Die hadden het te druk met juichen en mijn lippen ondertussen lieten niet toe dat er geluid over kwam. De weinige mensen die ik tegen kwam dachten dat ik rouwde en ik liet ze in die waan. Ondertussen vierde ik het feest dat ik veel eerder had moeten organiseren. Ze dachten dat mijn lippen gesloten waren vanwege de woorden die ik nooit meer zou horen, de handen die ik nooit meer zou voelen, de gesprekken die nooit meer op gang zouden komen en de adem die ik nooit meer zou ruiken. De werkelijkheid stond ver af van hun waarheden. Mijn lippen waren dicht omdat ik geen woorden wilde zeggen zolang zijn lichaam nog een lijk was. Ik zweeg zoals ik feitelijk altijd had gezwegen als hij in de buurt was en de ruimte om me en in me vulde. Het leek me ongepast om de ruimte om hem heen te vullen met de dode betekenisloze woorden waar hij nu toch niet naar zou luisteren. Hij had nooit geluisterd. Hij praatte alleen maar met vooral zijn handen die me altijd en overal raakten. Hij speelde piano op mijn huid maar de melodie klopte niet.

                                                                              *
De lucht in de keuken was anders. Het was ook vooral niet de geur die er was maar meer de lucht die er niet hing. Het raam stond open en ik kon zien waar hij gestaan had terwijl hij zijn laatste sigaret had gerookt. De peuk lag op de rand van de wasbak en het water waarmee hij zijn verslaving had gedoofd stroomde nog. Ik kon in gedachten ook zien hoe hij had gestaan maar dat beeld vervaagde snel doordat ik in beslag werd genomen door de manier waarop hij lag. De keukenvloer was zwart wit geblokt. Ben lag diagonaal over de vierkanten die hij zelf had gelegd op een van de spaarzame momenten dat ik er niet was. Ik heb hem laten liggen en wilde hem niet aanraken. Er was niet veel ruimte om hem heen maar ik ben op de grond gaan zitten. Met mijn vingers probeerde ik met gesloten ogen vast te stellen of de grenzen tussen de verschillende blokken voelbaar waren. Het was niet zo. Ik raakte het vinyl aan in de stellige wetenschap dat het de enige keer ooit was dat ik het zou aanraken. In mijn hoofd kwam het beeld van een piano in me boven drijven. Ik had de piano eerder gezien, lang geleden, en wist dat de tranen die ik voelde op de zwart witte toetsen van de keukenvloer zouden komen. Ik zag samen met de piano ook de viool van mijn vader. Ik hoorde de klanken, ik rook de geur van zijn huid. En juist die geur vulde de ruimte om Ben. De geur van dood, de geur van mijn vader, levend, en toch zo dood voor mij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen