vrijdag 28 oktober 2011

proplossing

Het leesrijk wordt groter en groter.

De kinderboekenweek is achter de rug. Ik heb leuke optredens verzorgd voor enthousiaste kinderen. Mijn alter ego, meester Korneel, valt in de smaak/ doet het goed/ vindt een plek/ spreekt aan.
Een paar jaar geleden schreef ik een boek. Over onderwijs, op een andere manier kijken, loslaten en verbinden en... trots zijn.
Het is tijd om mijn eigen boek te herlezen en onderdelen te delen. Via dit blog.
Mijn hoofd is een vat vol projecten en concepten. En als ik ze de wereld in heb gestuurd dan zijn ze te gebruiken. Dan mag je ze overnemen. Maar dan moet je wel weten wat ik heb bedacht. Je mag het hebben. Omdat leesbevordering mijn passie is. Mijn missie is het om het leesrijk van elk kind zo groot mogelijk te laten worden.
Zo groot, dat het een schatrijk wordt (een gebied, rijk aan woordenschatten).
Door kilometers te laten lezen, een perfecte instructie te geven en/ of door het kind samen te laten werken. Maar vooral door bizoendere concepten aan te bieden. Projecten die onvergetelijk zijn en zorgen voor een stukl zelfbewustzijn bij het kind.

Oh ja. En door te rekenen.
Rekenen is ook lezen. Meester Korneel heeft een nieuwe vorm van coöperatief leren bedacht. Zomaar. Je mag hem gebruiken. Je ziet dan dat het leesrijk groter wordt...
Veel leesplezier. En vergroot gewoon je eigen leesrijk even.


proplossing

Meester Korneel beleeft veel en veel te veel.
’Wat zeg je?’, vroeg meester.
We keken allemaal op van ons werk. Daarna keken we verbaasd naar elkaar en naar meester.
We haalden onze schouders op.


‘Niemand zei wat’, zei Jarno.
’Jawel hoor’, grinnikte meester. ‘Ik zei wat. Toen ik vroeg ‘wat zeg je? Toen zei ik het woord ‘wat’.’
We keken meester verbaasd aan.
’Ik ben aan het rekenen, meester’, zei Henke hoofdschuddend. ‘Je stoort me.’
’Klopt’, zei meester.
’De som klopt anders niet, meester’, mompelde Henke. ‘Het lukt me niet om het goede antwoorden te vinden.’
Meester Korneel stond op uit zijn stoel en spreidde zijn armen.
’Dan moet je zoeken. Welke som is het?’
’De derde van het vierde rijtje van som 2 van bladzijde 48.’
Meester keek even snel in zijn boek, pakte toen een kladpapiertje en schreef daar wat op. Vervolgens frommelde hij papiertje in elkaar en gooide het op de grond, vlak naast de stoel van Henke.
Die trok zijn wenkbrauwen op terwijl hij meesters ogen zocht.
Meester wees met zijn ogen naar het propje. Zonder woorden maakte hij aan Henke duidelijk dat hij het papiertje moest pakken.
Henke pakte het propje en ontfrommelde het. Daarna keek hij in het boek. En op zijn eigen kladblaadje.
’Dank je wel, meester. Nu snap ik hoe ik de som moet maken. Nu weet ik het goede antwoord.’
’Leg je het mij ook zo uit, meester?’, vroeg Elle Mieke.
’Hangt er van af of je het al zelf hebt geprobeerd’, zei meester.
’Al zo vaak’, mopperde ze. ‘De eerste van het derde rijtje van som 3 op bladzijde 48.’
Meester knikte nadat hij in het boek had gekeken. Hij schreef weer wat op een briefje, verfrommelde dat en gooide het naar Elle Mieke. Ze ving het handig en ontfrommelde het papiertje. Ze trok haar wenkbrauwen op, las de woorden op het briefje nog een keer en keek naar meester.
’Vraag maar aan Majorie hoe je de som uit moet rekenen’, las Elle Mieke hardop voor.
Ze fronste haar wenkbrauwen, legde het papiertje op haar tafel en liep naar Majorie.
’Wat doe je?’, vroeg meester.
’Ik ga naar Majorie om het haar te vragen’, zuchtte Elle Mieke.
Meester schudde zijn hoofd. Hij scheurde stukje papier van zijn kladblok en hield het omhoog.
Elle Mieke snapte wat meester wilde. Ze schreef wat op een briefje, verfrommelde het tot een propje en wierp het naar Majorie. Die opende het papiertje en glimlachte. Daarna schreef ze er wat bij en gooide het propje terug.
Jarno schreef ondertussen ook wat op een papiertje en gooide het als een propje in het midden van het lokaal op de grond.
Ik liep er naar toe en pakte het propje. Ik las dat Jarno niet meer wist hoe hij rijtje 2 van som 2 van bladzijde 48 moest uitrekenen. Ik wel. Ik schreef op welke  manier hij het moest uitrekenen en gooide het op zijn tafel.
’Maar meester, we mogen toch geen rommel maken’, zei Gjalt.
’Rommel? Wie maakt hier rommel dan?’, vroeg meester.
’En van directeur Zwarfdreumer mogen we al helemaal niet met propjes gooien’, vulde Gjalt aan.
’Van de schoonmaakster niet, bedoel je’, zei meester. ‘Dat klopt. Onze vloer moet blinkend leeg zijn. Maar we gooien nu geen propjes. We zijn aan het rekenen. Propjes rekenen’
Gjalt lachte.
’Noem je dit rekenen, meester?’, vroeg hij.
’Yep. Hoe zou jij het noemen dan?’
Gjalt zei niets. Hij schudde zijn hoofd en niet veel later waren we weer aan het propjes rekenen. Ik zag meester glimlachen. Hij had het weer eens voor elkaar om ons op een nadere manier samen te laten werken. Want de propjes vlogen door het lokaal. Soms strak naar een tafel, op een ander moment met een boogje vlak langs het plafond.
Als iemand iets niet precies wist dan schreef hij het op een kladblaadje en gooide dat op de grond. Iemand anders liep er stil naar toe, opende het papiertje en las wat er stond. Die nam het mee, als hij wist hoe hij de som moest uitleggen. Of hij verfrommelde hem weer, als het niet lukte. Ik pakte zo nu en dan ook een propje om te zien wat er op stond. Vaak wist ik het antwoord wel maar ik moest nadenken over hoe ik het uit moest leggen. Niemand zei wat. Iedereen rekende en liep en frommelde en las en schreef.
’Meester’, zei Janke.
’Hmmm, ja.’’Je hebt het jezelf wel weer makkelijk gemaakt, niet?’
‘Ik? Mezelf makkelijk gemaakt. Hoe? Wat?’
‘Nou, wij zijn aan het werk en jij doet niets. Je kijkt alleen maar een beetje hoe wij met propjes gooien.’
‘Ja, leuk hè?’, zei meester. ‘Jullie delen met elkaar wat je weet zonder de antwoorden voor te zeggen. Beter kan toch niet?’
’En we mogen ook nog met propjes gooien’, vulde Majorie aan.
’Ja, grappig hè?’
Meester ging op zijn stoel zitten. We gingen door tot vijf voor twaalf. Daarna ruimden we onze boeken op en legden onze schriften op de hoek van de tafel.
’Wat heb je geleerd?’, vroeg meester.
’Samen te werken zonder wat te zeggen’, zei Majorie.
Meester knikte.
’Wat nog meer?’
’Doen wat jij altijd doet, meester’, zei Henke. ‘Uitleggen zodat een ander het echt snapt dus.’
Meester glimlachte.
’Proplossingen zoeken’, zei Gjalt.
Meester lachte nog harder.
’Dat is een mooie, Gjalt. Jullie waren inderdaad bezig met proplossingen. Geweldig. Dank je wel.’
Iedereen was stil.
’Wat is dit voor puinzooi?’, klonk opeens de stem van mevrouw Krankheimer, de schoonmaakster.
We keken allemaal naar de deur. Daar stond ze, met de handen in de zij, haar ogen vol vuur.
Ze keek naar de propjes die nog overal verspreid op de vloer lagen.
‘We bedenken proplossi… Ach nee. Laat maar. Dat is niet uit te leggen’, zuchtte meester stilletjes. ‘We eeh… we ruimen het wel op.’
’Dat is je geraden, Korneel. Dat is jullie geraden. Ik wil geen enkel propje zien nadat jullie dit krakkemikkige lokaal hebben verlaten. Dus.’
We knikten. Meester knikte en mevrouw Krankheimer gooide met een klap de deur dicht.
Lachend gingen we aan het werk en om drie minuten over twaalf verlieten we allemaal het lokaal.
’Mooi gedaan kwajongens en booswichten’, zei meester.
’Bedankt meester, voor deze bizoendere les’, zei Gjalt.
Meester knipoogde en verliet als laatste ons kraakheldere lokaal.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen