zondag 18 december 2011

meester Korneel: aanvallende kerstbomen


Meester Korneel beleeft veel en veel te veel
’Meester, wat is het hier warm. Heb je het koud of zo?’, vroeg Henke.
Meester staarde door het raam naar buiten. Hij blies even briesend, alsof hij de pas gevallen poedersneeuw weg wilde blazen.
‘Hmmpfff… warm dus… tja… kun je wel zeggen. Ik heb het al sinds gisteren steenkoud. Hmmm… ja… ik heb de verwarming wat hoger gezet’, mompelde hij.
’Had je ook een ladder nodig, meester?’, vroeg Gjalt.
Meester keek hem starend en verdwaasd aan.
´Hoe bedoel je, Gjalt´, vroeg meester.
’Nou gewoon, om de verwarming hoger te zetten’, lachte Gjalt.
Meester grijnsde een beetje kniezend en knarsetandend.

De deur van ons lokaal ging opeens en onverwacht open en juf Cathalijne kwam binnen. Ze keek naar ons, glimlachte en gaf ons een dikke vette knipoog. Ze liep naar de instructietafel en legde er een bouwhelm op. Een gifgele bouwhelm was het. Daarna zwaaide ze even naar ons en liep het lokaal weer uit.

We keken wat naar elkaar en naar meester Korneel. Hij reageerde niet echt. Hij haalde alleen maar zijn wenkbrauwen een paar millimeter op.
’Heb je trouwens ook van dat vreemde ongeluk gehoord, meester?’, vroeg Yorinde.
Meester reageerde niet.
’Welk ongeluk Yo?’, vroeg Marieke.
’Bij boer Roelof, gisteren. Boer Roelof was met zijn zoon Johnny bezig om kerstbomen op zijn brakke oude wrakhouten kar te laden’, zei Yorinde.
’En toen, Yo?’, vroeg Marieke.
’Nou, de buurman van de neef van mijn moeder had het gezien… boer Roelof en Johnny hadden wel drieduizendachthonderdzevenenveertig kerstbomen, of zoiets, op de kar gestapeld. Die buurman van de neef van mijn moeder zei dat het wel leek op de toren van Pisa.’

Yorinde pauzeerde even want de deur van ons lokaal ging opeens en onverwacht open en juf Martine kwam binnen. Ze keek naar ons, glimlachte en gaf ons een dikke vette knipoog. Ze liep naar de instructietafel en legde er een tangetje op. Een tangetje met scherpe punten was het. Daarna zwaaide ze even naar ons en liep het lokaal weer uit.
We keken wat naar elkaar en naar Meester Korneel. Hij reageerde niet echt. Hij haalde alleen zijn wenkbrauwen weer een keer een paar millimeter op.

’Waar is dat voor, meester?’, vroeg Charlie.
Meester mompelde wat onverstaanbare mompelwoorden. Hij trok zijn wenkbrauwen weer een paar millimeter op.
’En toen?’, vroeg meester.
’Huh, oh ja…’, zei Yorinde. ‘Nou eeeh… toen klom Johnny nog even naar boven om een touw over die veel en veel te hoge scheve kerstbomentoren te gooien. Volgens de buurman van de neef van mijn moeder deed Johnny dat om die kerstbomen vast te maken aan die oude wrakke kar. Tja… en toen gebeurde het… De kerstbomentoren kwam nog schever dan scheef te staan, Johnny probeerde zich vast te houden aan de glijdende kerstbomen maar dat lukte natuurlijk niet. Hij krijste en gilde en riep en hieperdepiepte… en kwam toen naast de wrakke kar tussen alle vallende kerstbomen terecht. Johnny…’

Yorinde kon niet verder want de deur van ons lokaal ging opeens en onverwacht open en directeur Zwarfdreumer kwam binnen. Hij keek naar ons, glimlachte en gaf ons een dikke vette knipoog. Hij liep naar de instructietafel en legde er een sjaal op. Een dikke felgekleurde sjaal was het. Daarna zwaaide hij even naar ons en liep het lokaal weer uit.
’Wat is dat toch, meester?’, vroeg Henke.

Meester mompelde weer wat bijna onverstaanbare woorden. Hij rekte zijn wenkbrauwen weer een paar millimeter op.
‘Wat een gedoe, zeg’, mompelde meester Korneel. ‘Wat een gedoe. Hoe liep het af met Johnny?’
’Eeeh… oh ja’, mompelde Yorinde. ‘Weet je? De buurman van de neef van mijn moeder rende zo snel als hij kon naar de wrakke oude kar waar de stapel kerstbomen van af was gegleden. Samen met boer Roelof is hij aan de slag gegaan om de kerstbomen van Johnny af te trekken. Ze waren een beetje in paniek geweest omdat Johnny niets had gezegd. Pas na een paar minuten hadden ze hem kunnen bevrijden…’

Weer werd Yorinde gestoord in haar verhaal.
De deur van ons lokaal ging opeens en onverwacht open en mevrouw Krankheimer, onze schoolschoonmaakster, kwam binnen. Ze keek naar ons, glimlachte en gaf ons een dikke vette knipoog. Ze liep naar de instructietafel en legde er een dik stuk touw op. Een paar meter touw met rafelige uiteinden was het. Daarna zwaaide ze even naar ons en liet het lokaal weer uit.
’Wat is dat toch, meester?’, vroeg Henke.
Meester mompelde weer wat onverstaanbare woorden.
‘Wat een gedoe, zeg. Wat een gedoe’, mompelde hij.
Meer zei hij niet. Yorinde wel.

’De buurman van de neef van mijn moeder zei dat Johnny dat gisteren ook zei, meester. Hij lag daar een beetje te liggen, op een bed van vers gezaagde kerstbomen en mompelde ‘wat een gedoe zeg.’ Net als jij dus meester.’

Meester Korneel mompelde weer wat onverstaanbaars.
’Heb ik weer’, had Johnny ook gezegd. Johnny had gelukkig weer wat praatjes gekregen. Hij had, volgens de buurman van de neef van mijn moeder ook zoiets gezegd als:‘Oh nee hè, weer aangevallen door kerstbomen.’ Grappig toch?’, zei Yorinde.
’’t Is maar wat je grappig vindt’, zei meester Korneel.
Daarna was het even stil in ons lokaal.

’Zeg, meester?’, vroeg Elle Mieke een beetje vragerig en zeurderig.
’Hmmm, jaah?’, vroeg meester Korneel een beetje afwezig.
’Jij kent boer Roelof toch heel goed, of niet?’
’Hmmm, jaah!’, zei meester Korneel. ‘Hoezo?’
’Heb je het koud?’, vroeg Elle Mieke. Ze klonk een beetje streng, alsof ze iemand aan het ondervragen was.
’Hmmm, ja, kun je wel zeggen.’
’En heb jij eeeh… misschien ook nog wat afdrukken van dennennaalden van kerstbomen in je poezelige perzikenhuidje?’, vroeg Elle Mieke.
’Zou kunnen. Hoezo?’, vroeg meester Korneel.
’Zou het zo kunnen zijn dat Johnny er helemaal niet bij was gisteren? Zou het zo kunnen zijn dat jíj gisteren die man was die de buurman van de neef van Yorindes moeder onder die bult kerstbomen vandaan heeft geplukt?’


Het bleef stil in het lokaal. Meester Korneel liep naar de instructietafel, pakte het stuk touw en keek ons aan.
’Eeeehum’, zei hij. Tja… dus… mhmpff dus…’
Meesters sombere gezicht werd daarna iets minder somber. Nog iets minder somber en wat meer vriendelijk. Even later werd zijn gezicht nog wat meer vriendelijk en vrolijker en nog meer vrolijk.
’Tja… dus… tjonge jonge’, zei hij toen. ‘Had ik weer. Dat was wat, zeg. Dus die buurman van de neef van Yorindes moeder dacht dat Johnny op die kar stond en onder die kerstbomen lag. Há, nee dus. Nog erger nee dan nee dus. Dat was ik…’
Meester pauzeerde even en glimlachte terwijl hij verder vertelde.
‘Boer Roelof vroeg of ik hem wilde helpen… dus. Ach, ik had toch niets te doen dus… hmm… ja… tsss… hmpf… wij aan het werk maar het waren meer kerstbomen dan we dachten. Voor we het wisten hadden we de kerstbomentoren van Pisa. Zo scheef als scheef maar kan zijn. Ik zou dus… hmmm… ja… eeeh… even een touw van de ene naar de andere kant van de kar gooien maar dat lukte niet helemaal. Het touw bleef vast zitten. Ik klom op de kerstbomentoren om het touw verder te gooien en… ja… dus… toen voelde ik dat de kerstbomen tot leven kwamen. Ze bewogen en zwaaiden en zwierden en ja… daar gingen we, de kerstbomen en ik.’

Meester plukte wat aan het rafelige uiteinde van het touw.
’Tjonge, dat was een duikende zweefvlucht, zeg. Ik voelde de takken en de naalden. Ik voelde de stammen en greep waar ik grijpen kon. Ik greep in de naalden en ik kuste de naalden met mijn wangen en mijn neus en met mijn oren en mijn haren en mijn lippen. De naalden raspten en schuurden en schraapten langs mijn poezelige perzikenhuidje en niet veel later viel ik op een bodempje fluweelzachte bomen. En daarna werd ik bedolven onder kerstbomen die later dan ik van de kar afvielen. Zo lag ik dus opeens en onverwacht op een bed van kerstbomen met over me heen een deken van naalden en takken en stammen… dus.’

De deur van ons lokaal ging opeens en onverwacht open en directeur Zwarfdreumer, mevrouw Krankheimer, juf Cathalijne en juf Martine kwamen binnen. Ze keken naar ons, glimlachten en keken toen naar meester Korneel.

’Ze zeggen dat je er uit zag als een kerstboom, bedekt met naalden’, zei juf Martine. ‘Vandaar dit tangetje om de naalden uit je poezelige perzikenhuidje huidje te pulken.’
’Ze zeggen dat het leek of je de kerstbomen wilde aanvallen’, zei mevrouw Krankheimer. ‘Daarom mijn touw, om kerstbomen te vangen met een lasso en ze bij de teugel te houden.’
’Ze zeggen dat je het lekker warm vond onder de kerstboomdeken’, zei directeur Zwarfdreumer.’ Vandaar de sjaal. Om je er aan te helpen herinneren hoe warm het was onder je denkentje.’
Meester Korneel begon te glimlachen.
’Ik mocht van boer Roelof ook nog een kerstboom meenemen’, zei meester Korneel. ‘Maar dat heb ik toch maar niet gedaan. Ik heb mijn buik vol van kerstbomen. Zeker als ik het idee heb dat ze me steeds aanvallen!’
’Dat dachten we al’, lachte juf Cathalijne. ‘Daarom had ik een bouwhelm neergelegd. Om je hoofd te beschermen tegen nieuwe aanvallende kerstbomen.’
Ze haalde van achter haar rug een mini kerstboompje tevoorschijn.
‘We hebben deze mini kunst kerstboom voor je gekocht. Die houdt niet zo van aanvallen en je kunt hem bij de rest van je verzameling met bizoendere voorwerpen neerzetten. Op die manier vergeet je dit avontuur nooit.
Meester kreeg het kerstboompje in zijn handen en lachte er naar.
’Wees maar niet bang’, zei meester. Dit vergeet ik heus nooit meer. Ik denk dat ik elk jaar zo rond kerst ver uit de buurt van boer Roelof en zijn aanvallende kerstbomen blijf!’
Meester trok zijn wenkbrauwen een paar millimeter op en begon te lachen.
En wij… wij lachten natuurlijk lekker mee.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen