zondag 23 juni 2013

meester Geert en het onweer


‘Kom snel naar binnen. Het gaat onweren’, roept juf Janette over het schoolplein.
Dikke druppen regen vallen ploffend in het zand.
‘Laat het speelgoed maar liggen John. Naomi, kom.’
Juf schreeuwt de kinderen naar binnen. Tijn slalomt tussen de druppen door. Toch komt hij, net als de anderen, niet droog binnen.
‘Dat is dikke regen, juf’, zegt Merel als ze in de klas zitten.
‘Wat is dat dan, dikke regen?’, vraagt juf.
‘Nou, gewoon. Van die hele dikke druppen die in het warme zand ontploffen.’
Juf knikt.
‘Ik snap het’, zegt ze. ‘En ik denk dat die dikke regen ook nog wel een staartje krijgt.’
‘Regen met een staartje, juf?’, vraagt Rowan.
‘Ja… eeeh… nee… ik bedoel eigenlijk dat ik denk dat er nog wel onweer achteraan komt.’
Juf is nog niet uitgesproken als een bliksemflits het lokaal verlicht. Niet veel later dondert het.
‘Dat is een beste’, zegt juf.
‘Mogen we voor het raam staan kijken, juf?’, vraagt Tijn.
‘Vooruit dan maar’, zegt ze.
Niet veel later staan de kinderen voor het raam. Ze kijken naar de druppen die uit de lucht vallen. Dan stopt er een auto voor de school.
‘Het is meester Geert zijn auto’, zegt John.
‘Hij durft er niet uit’, zegt Naomi.
‘Zeker bang dat hij nat wordt’, zegt Hidde.
‘Bel hem maar eens, juf’, zegt Tijn. ‘Zeg maar tegen hem dat hij toch niet door de regen durft te lopen.’
Juf Janette glimlacht. Ze loopt naar haar tas die op de grond tegen de tafelpoot staat. Ze rommelt in haar tas en haalt dan haar telefoon tevoorschijn.
‘Ik zal meester Geert eens even bellen. Luisteren jullie mee?’
Juf toetst wat. Dan horen ze de telefoon over gaan.
‘Geert’, horen ze meester Geert zeggen.
‘Ja, met juf Janette en alle kinderen uit de klas. Zie je ons voor het raam staan?’
Meester Geerts wilde hoofd kijkt opeens in de richting van de school. Het is moeilijk te zien maar hij steekt zijn hand op.
‘Ja, ik zie jullie. Wat doen jullie daar. Moeten jullie niet aan het werk of zo?’
‘We zijn aan het werk’, zegt juf Janette.
‘Daar zie ik anders niets van, stelletje luchtkijkers. Vort, aan het werk.’
‘Maar we zijn aan het werk. We tellen de druppels die vallen. We zijn al bij honderd. Maar moet jij niet aan het werk dan? Je zit daar maar in die auto te zitten. Of durf je niet door de regen of zo. Je bent toch niet van suiker?’
Meester Geert reageert eerst niet. Het is net of hij tijd nodig heeft om na te denken.
‘Eeehhh… Nee. Ik ben niet van suiker. Ik hou wel van zoet water. Niet van zout water. Zeewater is niets voor mij. Maar als ik naar school loop word ik drijfnat. Daar kan mijn jasje niet tegen.’
‘Dan doet hij zijn jasje toch uit juf’, zegt Tijn die vlak bij staat.
‘Dat heb ik gehoord. Wie zei dat? Tijn van der Kooi zeker weer.’
Tijn glimlacht.
‘Nee hoor’, roept hij.
Plotseling flitst er weer een bliksem door de lucht. In het licht van de flits zien ze dat meester Geert zijn jas uit doet. De donder die volgt laat iedereen schudden, zo dicht bij is het.
‘Alle donders en bliksems’, roept meester Geert. ‘Het lijkt wel of die donderse bliksem en die bliksemse donders mij uitdagen. Ik zal ze eens een lesje leren. Ik kom er aan hoor’, bromt hij.
De telefoon verbinding wordt verbroken. De deur van meester auto zwaait open en meester Geert komt naar buiten gestuiterd.
Met de rug staat hij naar de school toe. Hij gooit de autodeur dicht, draait zich om en gooit zijn handen in de lucht.
Meteen wordt hij kletsnat. Zijn wilde haren vallen plat op zijn hoofd. Meesters volle baard wordt nat en zijn kleren ook.
‘Kom maar op’, schreeuwt hij naar de lucht. ‘Ik ben toch veel sterker dan jullie, stelletje mini knalletjes. Jullie durven wel hè, tegen een oude meester. Maar jullie zijn straks weg en dan ben ik er nog gewoon.’
Het is net of het onweer het heeft gehoord.
Een enorme flits klieft door de inktzwarte lucht. Meester Geert staat daar maar met zijn armen omhoog, alsof hij de donder wil pakken en de flits wil grijpen.
Tijn ziet het het eerst. Tijdens de flits let hij op meester Geerts kleren.
‘Hij heeft een t shirt aan met een piraten doodshoofd er op’, roept Tijn.
‘Ja, meester Geert is een piraat’, zegt Merel.
‘De kinderen kijken vol bewondering naar meester Geert die zich klets en kletsnat laat regenen. Juf Janette is slap van het lachen. Meester Geert balt zijn vuisten.
‘Kom maar op’, schreeuwt hij nog een keer. Dan is er een flits en een donder, bijna tegelijkertijd.
‘Ik ben de sterkste. Ik ben de schrik van alle zeeën’, schreeuwt meester Geert.
Zijn doodshoofd t shirt zit kletsnat om zijn bolle buik. Hij schudt zijn hoofd waardoor er allemaal waterdruppels alle kanten op vliegen. De regen wordt wat minder en een minuut later is het bijna helemaal droog.
‘Zie je wel dat ik de sterkste ben’, roept meester Geert.
Daarna loopt hij in de richting van de school.
‘Deur open’, zegt hij. ‘Ik mag hopelijk nu wel naar binnen.’
Juf Janette doet de deur open. Druipend en kletsnat komt meester Geert over de drempel.
‘Zo’, zegt hij. ‘Dat was lekker. Nu heb ik wel een handdoek en een kop koffie verdiend.’
Juf Janette komt met een handdoek aangelopen. Meester Geert droogt zijn platte haar af. Dat springt, als hij het drooggewreven heeft, alle kanten op. Meester probeert zijn kleren een beetje droog te wrijven maar dat lukt niet. Hij sjokt door de klas. Zijn voeten soppen in zijn schoenen.
Hij laat een waterspoor achter.
‘Hoera voor meester Geert, de dappere regenpiraat’, roept Tijn.
Alle kinderen juichen en joelen.
Meester Geert glundert.
‘Daar had ik die donderse bui mooi te pakken hè’, zegt hij.
Dan geeft hij juf Janette een high five en loopt sjokkend de klas uit.
‘Nu weet ik weer zeker dat meester Geert een echte piraat is’, fluistert Tijn even laten tegen Merel. Die knikt.
‘Iemand die durft te vechten tegen de bliksem en de donder moet bijna wel een piraat zijn’, antwoordt Merel.
‘Zag je dat t-shirt?’, vraagt Tijn.
Merel knikt. ‘Schrijf het woord doodshoofd maar op een blaadje. Dat is weer een bewijs.’

‘Ga ik doen’, zegt Tijn. Dan geeft hij een high five aan Merel. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen