dinsdag 25 juni 2013

meester Geert en het ooglapje

‘Wat doe je steeds?’, vraagt Merel aan Tijn. ‘Het lijkt wel of je ogen niet stilstaan.’
Tijn kijkt niet naar Merel. Het lijkt of hij een spelletje met zijn ogen speelt.
Hij opent en sluit zijn rechteroog. Daarna knippert zijn linkeroog. Dan knijpt hij zijn beide ogen heel stijf dicht. Wanneer hij ze opent lacht hij naar Merel.
‘Ik heb wat bedacht. Ik weet zeker dat meester Geert een echte piraat is.’
‘Wat heb je bedacht dan?’, vraagt Merel.
‘Meester Geert knippert heel vaak met zijn ogen’, zegt Tijn.
‘Ja. Maar dan ben je toch nog geen piraat.’
Tijn knipoogt naar Merel.
‘Ja hoor. Meester Geert wel. Kom maar eens mee.’
Merel kijkt om zich heen.
‘We gaan toch geen avontuur beleven hè? Dat is echt veel te spannend.’
Tijn schudt zijn hoofd.
‘Ik ben toch bij je?’
Tijn sluipt naar de tafel van juf Jeannette.
‘We brengen even je koffie kopje naar het keukentje hoor’, zegt Tijn tegen juf Jeannette. Ze is bezig met een paar andere kinderen en knikt dat het goed is.
Tijn loopt de klas uit met Merel achter zich aan. Door de gang naar de klapdeuren.
‘Die klapdeuren piepen altijd’, fluistert Merel.
‘Dat weet ik. We maken ons heel dun’, zegt Tijn.
Tijn duwt de rechter klapdeur een heel klein stukje open. Het knarst een beetje maar het piept niet.
Merel heeft haar handen tegen haar oren gedaan om het niet te horen. Zo gaat ze achter Tijn door de klapdeuren.
Nu staan ze in de hal van de grote kinderen. Juf Clara loopt ze tegemoet.
‘Ha die Tijn en Merel. Jullie zijn ver van huis’, grapt ze.
‘Ja’, zegt Merel, ‘We beleven een spannend avontuur.’
‘Dat is mooi. Kan ik jullie daarbij helpen?’, vraagt juf Clara.
Tijn en Merel schudden hun hoofd en sluipen verder. Juf Clara glimlacht en loopt een lokaal in.
‘Waar gaan we naar toe?’, vraagt Merel.
‘Geen idee’, fluistert Tijn.
Merel gaat voor Tijn staan.
‘Hoezo heb je geen idee. Hoe kun je nou een avontuur beleven als je niet weet wat je gaat doen?’
‘Grapje’, grinnikt Tijn. ‘We gaan gewoon naar het hok van meester Geert. We gaan op zoek.’
Merel blijft voor Tijn staan en wijst met een vinger naar hem.
‘Als je zo stom doet dan ga ik terug hoor. WAT zoeken we dan? Dat wil ik heus wel weten.’
Tijn kijkt naar de wolken. Hij denkt na, dat kan Merel wel heel goed zien.
‘We gaan op zoek naar een ooglapje’, zegt Tijn dan.
‘Nou, mooi niet hoor. Ik ga niet op zoek naar een ooglapje. Wat is het eigenlijk precies?’
‘Gewoon, een lapje dat piraten voor hun oog doen omdat ze maar een oog hebben.’
‘Niet alle piraten hebben één oog hoor’, zegt Merel.
‘Nee, sommige hebben wel eens geen enkel oog. Dan hebben ze twee ooglapjes’, zegt Tijn.
Merel schudt haar hoofd.
‘Dan ben je geen piraat. Dan ben je blind. Dan heb je heus geen ooglapjes nodig.’
Tijn is stil.
‘Meester Geert knipoogt altijd. Vooral als hij buiten is. Dan tuurt hij zo. Net alsof hij een eiland probeert te zien bij de horizon. Daarom heeft hij vast een ooglapje. Want dan kan hij het beter zien.’
‘Ik snap er niets van’, zegt Merel.
‘Ik wel’, zegt Tijn. ‘Als we het ooglapje vinden dan weten we zeker dat meester Geert een echte piraat is.’
Merel denkt na en doet een stap opzij. Samen sMerelren ze verder naar het hok van meester Geert. Merel kijkt door het ruitje naast de deur van het hok.
‘Hij is er niet’, zegt ze tegen Tijn. ‘Durf jij?’
‘Tuurlijk’, zegt Tijn. ‘Een beetje tenminste.’
Merel opent de deur. In de deuropening blijven ze staan en kijken rond. Ze zien de piratenspullen op de vensterbank, het scheepje in de fles en de plank met scheepsknopen.
‘Ik zie geen ooglapje’, zegt Merel. ‘Laten we het kopje op het aanrecht zetten en weer terug gaan naar de klas.’
Tijn zegt niets. Hij heeft zijn hoofd schuin en denkt na.
‘Ik ben hier wel eens eerder geweest. Wacht even. Ik weet dat er achter de deur een kapstok is. Misschien…’
Tijn loopt het hok van meester Geert binnen en kijkt om het hoekje van de deur.
‘Aha’, roep hij.
‘Wat zie je?’, vraagt Merel. Ze is zo nieuwsgierig dat ze ook het hok helemaal binnen gaat.
‘Kijk, daar hangt het ooglapje. Dat is het bewijs dat meester Geert geen meester is maar een piraat.’
Merel is stil.
‘Zie je het nu?’, vraagt Tijn.
Dan gaat de deur achter Tijn en Merel dicht.
‘Wat zie ik nu?’, vraagt een barse stem.
Merel en Tijn schrikken zich een hoedje.
‘Meester Geert’, zegt Merel. Tijn knikt.
De deur gaat langzaam maar zeker open en meester Geert steekt zijn wilde hoofd om het hoekje van de deur.
‘Schrokken jullie?’, vraagt hij lachend.
Tijn en Merel knikken.
‘Dat was ook de bedoeling’, zegt meester Geert. ‘Nee hoor. Dat was een grapje. Zochten jullie iets?’
Tijn en Merel kijken elkaar aan.
‘We mochten een koffiebeker terug brengen’, zegt Tijn.
‘Dan ben je wel ver uit koers, schuimhapper’, lacht meester Geert. ‘De kombuis is daar.’
‘Volgens mij ben je misschien wel een piraat, meester Geert’, zegt Merel. ‘Je zegt altijd woorden van een piraat.’
‘Ja, en je hebt piratenspullen in je hok. Een ooglapje bijvoorbeeld’, vult Tijn aan.
Meester Geerts witte borstelige wenkbrauwen gaan omhoog en naar beneden. Het lijkt wel of ze dansen.
‘Maar allebei mijn ogen zijn goed. Dan heb ik toch geen ooglapje nodig?’, vraagt hij.
‘Maar je knippert altijd met je ogen als je buiten staat’, zegt Tijn.
‘Tegen de zon’, zegt Merel.
‘Of omdat je te veel door een verrekijker hebt gekeken toen je nog aan boord van het piratenschip was’, zegt Tijn.
‘Jullie hebben gelijk’, zegt meester Geert. ‘Oh nee, ik mag niet liegen van mijn moeder. Die ooglap die jullie zien heeft er niets mee te maken dat ik piraat ben. Ik ben namelijk geen piraat. Kijk maar eens naar die foto.’
Meester Geert wijst naar een foto waar hij opstaat, verkleed als piraat.
‘Dat was voor de meester en juffendag. Toen was ik piraat. Toen had ik dit ooglapje nodig. Snappen jullie?’
Tijn en Merel knikken.
‘Je hebt gelijk’, zegt Tijn. ‘Oh nee, ik mag niet liegen van mijn moeder’,  zegt hij er achter aan.
Dan lachen hij en Merel. Meester Geert lacht mee.
‘Nou, gooi die koffiekop in de kombuis en ga als de wiederweerga terug naar jullie lokaal. En vlug een beetje, anders voer ik jullie scharminkelige botten aan de haaien. Pfff… ik een piraat. Nee hoor, laat mij nog maar mooi even meester zijn. Dat is al erg genoeg.’
Meester Geerts ogen glimmen onder zijn witte wenkbrauwen.
Tijn zet de koffiemok op het aanrecht en samen met Merel loopt hij terug naar de klas.
‘Volgens mij bedacht hij dat maar, van de meester en juffendag’, zegt Tijn.
‘Ik weet het niet’, zegt Merel. ‘Ik vind dat we nog meer bewijzen nodig hebben.’
‘Goed’, zegt Tijn. ‘Oren en ogen goed open.’
Merel steekt haar arm omhoog waarna ze elkaar een high five geven.
‘Afgesproken’, zegt Tijn.

‘Afgesproken’, zegt Merel.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen