woensdag 19 juni 2013

Meester Geert is piraat

‘Meester Geert is écht een piraat’, fluistert Tijn.
Merel schudt haar hoofd.
‘Echt niet. Hoe kom je daar bij?’, vraagt ze.
Merel kijkt verbaasd. Haar ogen zoeken op het gezicht van Tijn of ze iets ziet waardoor ze weet dat hij maar een grapje maakt.
Ze vindt niets. Tijn blijft heel serieus naar haar kijken.
Dan doet hij zijn hoofd schuin. Dat doet hij altijd als hij diep nadenkt.
Dan kijkt hij met zijn ogen naar de wolken.
‘Zit je weer in de wolken?’, vraagt Merel.
Tijn schudt zijn hoofd.
‘Een beetje’, zegt hij ernstig.
‘Maar hoe kom je daar dan bij, dat meester Geert een piraat is?’, vraagt Merel.
Tijn haalt een paar verfrommelde papiertjes uit zijn broekzak.
‘Kijk’, zegt hij terwijl hij de papiertjes glad probeert te strijken met zijn hand.
Merel komt vlak bij hem staan en kijkt mee. Ze ziet wat kriebels. Wanneer ze goed kijkt ziet ze dat het een woord is.
‘Wat staat daar nou?’, vraagt Merel.
‘Paperclips. Ik heb het overgeschreven van een doosje nadat ik aan juf had gevraagd hoe dat woord er uit ziet.’
paperclips
‘Ja? Nou? En? Hoe kun je nu aan paperclip zien of iemand piraat is?’, vraagt Merel ongeduldig.
‘Meester Geert is gewoon meester Geert hoor.’
Tijn schudt zijn hoofd.
‘Heb je de vensterbank in zijn hok wel gezien?’
Tijn wacht niet op het antwoord van Merel.
‘Het staat vol met piratenspullen. Piraten poppetjes van plastic, een bord met allemaal scheepsknopen, een schip in een fles en…’
Tijn kijkt om zich heen alsof hij niet wil dat iemand anders dan Merel hem hoort.
‘… op die foto achter zijn bureau staat hij als piratenkapitein’, fluistert Tijn.
Merel begint te lachen.
‘Jij bent maf. Dat is gewoon een foto van de meester en juffendag. Iedereen was toen verkleed.’
‘Ja’, zegt Tijn zeker. ‘Als sprookjesfiguren. Juf Inge was sneeuwwitje, juf Anita was de boze heks van Hans en Grietje. Juf Jeannette was de geitenmoeder maar meester Geert was… piraat.’
Tijn laat even een stilte vallen.
Merel kijkt hem met gefronste wenkbrauwen aan.
‘En?’, vraagt ze.
Tijn legt de nadruk op elk woord dat hij uitspreekt.
‘Piraten komen niet voor in sprookjes. Hij was gewoon zichzelf.’
Merel kijkt hem verwonderd aan.
‘In Peter Pan is een piraat’, zegt ze maar ze is niet echt overtuigd van zichzelf.
‘Maar dat is geen echt sprookje’, zeggen Tijn en Merel tegelijk.
Daarna lachen ze naar elkaar. Dat doen ze altijd als ze op het zelfde moment hetzelfde zeggen.
‘Maar hoe zit het dan met die paperclips?’, vraagt Merel een beetje ongeduldig.
Tijn kijkt om zich heen of niemand hem ziet of hoort.
‘Hij buigt er haakjes van’, zegt hij. Dan kijkt hij naar Merel om te zien wat haar reactie is.
Merel pruilt haar lippen.
‘Haakjes?’, vraagt ze. Tijn ziet aan haar gezicht dat ze niet begrijpt wat hij bedoelt.
‘Echte piraten hebben een haak. In plaats van een hand.’
‘Niet álle piraten hoor’, zegt Merel.
Tijn schudt zijn hoofd.
‘En piraat Geert heeft ook geen haak. Anders was het helemaal duidelijk dat hij een echte piraat is. Maar hij vouwt wel paperclips in de vorm van een piratenhaak. Kijk maar eens op de vensterbank van zijn hok.’
‘Dat durf ik niet’, zegt Merel.
Tijn kijkt Merel aan.
‘Ik ook niet. En toch is het zo.’
Tijn en Merel zitten in de bouwhoek maar ze bouwen niets. Ze kletsen alleen maar, zoals zo vaak.
Opeens schiet Tijn recht over eind.
‘Ik weet wat’, roept hij. ‘Ik pak een paperclip van jufs tafel.’
Merel kijkt vreemd naar Tijn.
‘Dat mag niet joh’, zegt ze.
‘Ik ga toch even kijken’, zegt Tijn.
Hij staat op en loopt naar jufs tafel. Merel sjokt achter hem aan. Op jufs tafel ligt van alles. Tekeningen, plakband, een paar boeken en een schaar. Maar geen paperclip.
‘Kom nu maar’, zegt Merel en ze trekt Tijn aan zijn arm.
Tijn laat zich meetrekken maar als hij omkijkt ziet hij waar hij naar zoekt. Twee stukjes papier zitten met een paperclip aan elkaar vast. Tijn kijkt om zich heen en pakt de paperclip.
Wanneer hij zich omdraait kijkt hij in het vriendelijke gezicht van meester Geert.
‘Zo Tijn’, zegt hij. ‘Ik dacht, laat ik eens kijken wat jij aan het uitvreten bent. Doe je een beetje je best jongen?’
Tijn kijkt van meester Geert naar zijn hand waar de paperclip in zit.
‘Hier! Een paperclip’, zegt hij en geeft hem aan meester Geert.
‘Dat is een mooi exemplaar, Tijn. Nog helemaal gaaf. Dat hoort niet zo met paperclips. Die moet je verbuigen’, zegt meester Geert raadselachtig.
‘Hmmm. Hij is te klein om er een racefiets van te buigen.’
‘En te klein voor de Eiffeltoren’, zegt Tijn.
‘En ook te klein voor een schip’, zegt Merel.
‘Een piratenschip’, fluistert Tijn zo zacht dat alleen Merel het hoort.
Meester Geert buigt de paperclip open. Hij frommelt er wat mee. Zijn tong steekt uit zijn mond.
‘Zo’, zegt hij. ‘Weer een voor mijn verzameling.’
‘Wat heb je gemaakt meester?’, vraagt Merel.
‘Och, niets. Nou ja, bijna niets. Kijk maar.’
Merel en Tijn kijken naar meester Geerts grote hand. Daarin ligt de paperclip. In de vorm van een haak…
‘Het lijkt wel een haak van een piraat’, zegt Tijn.
‘Hmmm, nou je het zegt.’ Meester Geert krijgt een enorme grijns op zijn gezicht.
‘Dat heb je goed gezien, Tijn van der Kooi.’
‘Ben jij piraat geweest, meester Geert?’, vraagt Merel.
Meester Geert kijkt met grote ogen naar Merel en Tijn. Dan buldert hij van het lachen.
‘Ik? Hoe kom je er bij zeg… Nee hoor. Ik ben gewoon meester Geert. Heel gewoon.’
Dan knipoogt hij en loopt weg, de klas uit.
‘Wat hadden jullie voor gesprek met meester Geert?’, vraagt juf Jeannette.
‘Gewoon. Heel gewoon. Iets heeeeel geheims’, zegt Tijn.
Daarna pakt hij Merel bij de hand en lopen ze terug naar de bouwhoek.
‘Misschien heb je wel gelijk’, zegt Merel.
Tijn knikt.
‘Maar ik weet het nog niet zeker’, mompelt ze.
‘Ik wel’, zegt Tijn. ‘Maar we moeten wel op zoek naar meer bewijs.’
‘Goed’, zegt Merel en ze steekt haar hand op. Tijn geeft haar een high five.
‘Laten we goed om ons heen kijken’, zegt hij.

‘Dat doen we’, zegt Merel. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen