zondag 18 september 2011

Het leesrijk (4): Meester Korneel

Het leesrijk.
Ik schrijf. Dus wil ik gelezen worden.
Maar daarnaast wil ik dat elke school zijn eigen leesrijk inricht.
Door boekenkasten te plaatsen en te vullen. Door plafondplaten te vervangen door plafondplaten met bizoendere woorden of teksten.
En natuurlijk wil ik dat elke leerkracht voorleest.
Dus. Lees voor. Onderstaand verhaal bijvoorbeeld.
Over meester Korneel, mijn meester Korneel.

aardewerk detector

Meester Korneel beleeft veel en veel te veel.
Vanmorgen liep Okki zwevend de klas binnen. Het haar op haar spitse hoofd wapperde alle kanten op en haar gymschoenen raakten de grond bijna niet.
‘Ik heb een schat gevonden”, zei ze tegen meester Korneel die in de deuropening stond.
Meester heeft wel eens gezegd dat hij ’s morgens op de drempel staat om naar ons te kijken. Dan kan hij aan onze hoofden zien hoe we ons voelen. Dan kan hij aan onze ogen zien of we niet te laat op bed zijn gekomen en zo, maar daar geloof ik niets van. Volgens mij doet hij zijn best om ons een beetje te plagen. Of om ons opzettelijk te laten nadenken over weer een nieuwe bizoendere dag met hem.
‘Dus... je hebt een schat gevonden’, herhaalde Meester Korneel fluisterend. ‘Wat eh... wat eh voor een schat? Je hebt toch niet de stinksokken terug gevonden die Jarno vorig jaar tijdens jullie schoolreisje op verbazingwekkende manier is kwijt geraakt, toch? Of wel?’
Okki schudde licht haar hoofd waardoor haar haren golvend op en neer dwarrelden.
‘Je hebt toch niet eh… eh... het afgekauwde ondersteboven gekloven bot van de hond van de buurvrouw van de directeur gevonden hè? probeerde meester Korneel nog een keer. Okki schudde weer zacht de wapperende haren op haar hoofd heen en weer.
‘Neehee’, zei ze ongeduldig. ‘Dit heb ik gevonden.’
Langzaam opende ze haar rechterhand. Ik zag dat er in haar handpalm een paar scherven aardewerk lagen.
‘Dus... dus…. dus? Dit is je schat? Aha, bijzonder. Hoe kom je hier aan?’, vroeg meester Korneel.
‘Gewoon, op het land achter ons huis. Daar heeft boer Roelof geploegd en toen kwam dit bovendrijven’, mompelde Okki.
‘A ha, dussss... eh… bovendrijven. Juist ja. Vreemd, vind je niet? Een boer ploegt en scherven komen boven drijven. Drijvende scherven. Dat doet me denken aan eeeh… heb ik jullie ooit al eens verteld van mijn onovertroffen schatgraversavonturen?’
Ik keek naar meester Korneel en zag aan de denkrimpels in zijn gezicht dat hij aan het broeden was. Hij was aan het broeden op één of ander krakkemikkig verhaal. Okki ging zitten en meester Korneel ging voor de klas staan.
‘Toen ik zo oud was dat mijn moeder niet meer wist of ze me zoontje of zoon moest noemen zwierf ik soms urenlang over de weilanden rond dit zeer fraaie en geheimzinnige dorp. Mijn uitvindopa had, samen met mij natuurlijk, een aardewerkdetector uitgevonden. Ja, echt waar. Ik zie jullie een beetje vreemd kijken. Maar het is echt waar. Een aardewerkdetector dus.
En met die detector zwierf ik langs de randen van het dorp nadat boer Roelof de grond van zijn weilanden weer had omgegooid met die dikke tractor van hem. Zo snel híj van het land was verdwenen schoof ik in mijn klompen. Daarna pakte de aardewerkdetector uit de uitvindschuur van opa. Ik smeerde vervolgens een paar vellen brood met pindakaas. Tot slot vulde ik een veldfles met koude thee zonder suiker maar met een beetje koffiemelk en slenterde over het land. Detector aan en wachten op de eerste piep.’
Meester Korneel was weer eens helemaal vergeten om ons les te geven. Hij vertelde niet over rekensommen die niemand snapte. Hij legde geen taalles uit die toch te moeilijk was. En hij liet ons niet lezen in onbegrijpelijke saaie, veel te dikke monsterachtige boeken met veel te kleine letters.
Meester Korneel vertelde een verhaal en dan waren andere zaken onbelangrijk. Okki had ondertussen de schatscherven op haar tafel gelegd. Het waren zeven stukjes, zag ik. Een paar hadden blauwe randjes en één stukje was een beetje groen. Het waren gewone ongewone scherven die ze op het weiland achter hun huis had gevonden.
‘Ik eh… eh... dus… liep over het land en al bijna direct na een uur klonk de eerste piep. Ik had een schepje bij me en ploegde de door boer Roelof omgeploegde grond nóg een keer om. Daar vond ik, ik weet het nog als de dag van eergisteren of nog iets langer geleden, een stuk glas. Het was een heel bizoender stuk glas. Ik pakte het uit de akker, maakte het schoon en hield het omhoog, tegen de zon.
Je wilt niet weten wat ik toen zag. Het licht van de zon scheen door het glas en ik kreeg allerlei kleuren te zien. Ook ultramarijn, violet en ultraviolet. Alle denkbare en ondenkbare schitterende kleuren kletterden smeltend dwars door het stuk glas. Daarna spatten ze op de grond om me heen uit elkaar. Het stukje glas leek wel een diamant, of een saffier of een diaffier of een safiamant. Nou, werkelijk waar, ik ben gaan zitten in de akker en heb mijn velletjes brood met pindakaas opgesmikkeld en mijn veldfles met koude, suikerloze koffiemelkthee leeggedronken. Ondertussen kon ik mijn ogen niet afhouden van het stuk glas. Ik moet het thuis nog wel ergens hebben liggen, geloof ik.’
Meester Korneel zuchtte en keek naar Okki.
‘Mooi dus dat je je schat mee hebt genomen, Okkie, anders was mijn glasverhaal helemaal ergens in de diepe grotten van mijn geheugen verborgen blijven zitten.’
Meester Korneel keek eens rond in de klas.
‘Een mooi verhaal, meester’, zei Ricardo. ‘Maar zoals gebruikelijk klopt er weer geen sikkepit van.’
Ik keek naar Ricardo. Die zat op het puntje van zijn stoel.
‘Boer Roelof is net zo oud als mijn vader. Als hij ook al aan het boeren was toen jij jong was dan zou boer Roelof al in zijn luiers aan het werk moeten zijn geweest.’
Ik moest glimlachen. De andere kinderen ook. Het was Ricardo gelukt om een verhaal van meester Korneel te ontmaskeren als een bizoender verhaal vol halve leugentjes en hele onwaarheden.
‘En eeeeh... eeh meester. Als je opa ooit al een aardewerkdetector uitgevonden zou hebben, hoe kan het dan dat de aardewerkdetector piepte bij… eh… eh glas’, mompelde Okki.
Meester Korneel was stil, vierenvijftig seconden lang. Wij, de dappere heldere pientere oplettende superkinderen in zijn klas glimlachten nog meer dan even daarvoor. Meester Korneel zocht naar woorden die hij niet kon vinden.
‘Eh… eh… dus… ja, ehm, tsja… pak jullie weektaak maar’, zei hij tenslotte.
Lachend gingen we aan het werk. Okki ook. Ze had haar zeven scherven nog steeds netjes naast elkaar op haar tafel liggen. Daar bleven ze de hele dag liggen om ons er steeds aan te helpen herinneren dat we meester Korneel hadden ontmaskerd als superfantast.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen